Waar God woont
Op vakantie hebben we doorgaans wat tijd om te genieten van de schoonheid van oude gebouwen en kunstwerken. Waar we ook zijn, een kerk of een kathedraal is dikwijls een belangrijke bezienswaardigheid. Het doet denken aan de leerlingen van Jezus in Jeruzalem, toen ze opmerkten dat de tempel zo mooi gebouwd was en zo fraai versierd. Lucas vertelt zondag hoe Jezus daar een pessimistische commentaar op gaf: Er komt een tijd waarin alles wat je daar ziet met de grond wordt gelijkgemaakt; geen steen zal op de andere blijven. Profetische woorden, want veertig jaar later werd die tempel verwoest. Gelukkig blijven er voor onze reizen nog vele kerken te bewonderen.
Een kerk noemen we soms een ‘Godshuis’, een huis waar God woont, waar we God kunnen ontmoeten. Als we eerlijk zijn, dan moeten we toegeven dat het niet in de goudversierde kathedralen is dat we God ontdekken, maar eerder in de sobere, bescheiden kerkjes. De pracht en praal tonen wel de rijkdom van de bouwheer, maar ze verstoppen God.
Als de leerlingen vragen aan Jezus naar het wanneer van die verwoesting, dan verwijst hij naar een tijd die de onze zou kunnen zijn: als je hoort van oorlogen en onlusten, als het ene volk zal strijden tegen het andere, het ene rijk tegen het andere. In oorlogsgebieden zoals in het Midden-Oosten worden vandaag godshuizen met westerse wapens vernield, zelfs al behoren die gebouwen tot het werelderfgoed.
In onze streken vernielen we de kerken niet. We blijven er weg, en stellen ze dan buiten gebruik. Er is geen plek in de wereld te vinden waar mensen wonen zonder een gewijd huis waar ze samen hun vreugde en verdriet kunnen vieren, hun vertwijfeling en hoop betekenis kunnen geven en uitdrukken. In onze streken zijn we dat stadium voorbij, denken we. Onze leiders hebben God niet meer nodig om hun daden te rechtvaardigen en te ondersteunen. Waarschijnlijk is God zelf het ook beu om hun handlanger te zijn.
God krijgt gestalte in gebaren van goedheid, niet in prachtige gebouwen. God woont in het hart van de mensen, en als mensen Hem met elkaar willen ontmoeten, dan liefst op een plek die deze hartelijkheid weerspiegelt, en niet de eer en glorie van wie er de dienst uitmaakt. (Vik)

