Wat de keizer wil

Sinds enkele weken heeft ons land weer een normale regering, hoewel het een onmogelijke opdracht leek te worden. Enige vreugde was dus begrijpelijk, minstens toch opluchting. De eedaflegging door de nieuwe ministers en staatssecretarissen kreeg dus alle aandacht op televisie. In twee of drie talen hoorden we ze trouw zweren aan de koning, en gehoorzaamheid aan de grondwet en de wetten van het Belgische volk.

Wie een oorlog heeft meegemaakt of de gruwelen van een dictatuur, die krijgt misschien rillingen bij het horen van een eed van trouw en gehoorzaamheid. Jezus leefde ook in een tijd van bezetting door de Romeinen, een bezetting die al tientallen jaren duurde. Hun wetten gehoorzamen gebeurde niet van harte.

Zo kreeg Jezus in het evangelie van zondag een lastige vraag voorgeschoteld: ‘Mogen we aan de keizer belasting betalen?’ Het was een strikvraag natuurlijk, ook Jezus doorzag dat onmiddellijk. Voor de Farizeeën was Jezus uitgegroeid tot een grote vijand, en het zou hen goed uitkomen als de Romeinse bezetter hem ook als een gevaarlijke bedreiging zou beschouwen.

Jezus vroeg om de belastingpenning te tonen, en om te zeggen van wie de afbeelding en het opschrift waren. ‘Van de keizer,’ antwoordden ze. ‘Geef dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.’ Het was een verbazend antwoord. De penning was duidelijk van de keizer: zijn naam en zijn beeltenis stonden erop. Waar zou dan de afbeelding van God te vinden zijn?

Die vraag was niet gesteld, maar Jezus zette ze centraal. In elke mens is een beeld van God te vinden. Elke mens is een beeltenis van God. Ons leven is zijn geschenk. De keizer is de keizer, maar God is God. De keizer is God niet, ook al zou hij dat wel willen zijn, ook al stond het zo op de belastingpenning.

Er is een groot verschil tussen de verlangens van de keizer en de verlangens van God. God wil dat elke mens gelukkig is, en dat geluk is telkens anders. God heeft ieder mens uniek gemaakt, uitzonderlijk. Maar de keizer verlangt dat zijn onderdanen gelijk zijn, hetzelfde denken en hetzelfde doen, dat ze hem gehoorzaam zijn en hun eigen wil opzijzetten, zeker in crisistijden.

De keizer wil dat zijn onderdanen gedienstig zijn, hardwerkend, en nuttig voor zijn rijk. Wie daar niet aan beantwoordt, wordt genegeerd, telt niet mee, is overbodig en onbruikbaar. De keizer wil God geen plaats gunnen.

Want God houdt van verscheidenheid en wil niemand uitsluiten, onder geen enkel beding. God wil niemand ondergeschikt maken, voor Hem is een mens nooit meer waard of belangrijker dan een ander.

Keizers vinden we in de politiek, in de economie, in de kerk, in sport en cultuur. Zij vragen trouw en gehoorzaamheid. Maar als ze het belang van hun keizerrijk hoger plaatsen dan dat van de individuele mens, dan denken ze God te zijn. Ze dwalen. (Mt 22, 15-22)

Evenementen